Mailkat
Link naar e-boek3
Lijnen met Lieke

Voeding krijgt ruimschoots aandacht bij het bestrijden van overgewicht. Waar minder op ingezoomd wordt, is die tweede pijler die ondersteunend werkt bij het afvallen: bewegen. Bewegen is niet alleen belangrijk voor het afvallen, maar het verbetert ook de lichamelijke Fietsenconditie wat directe gezondheidswinst oplevert. Ongeveer de helft van de Nederlandse bevolking tussen 18 en 55 jaar voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen voor volwassenen van minimaal 5 dagen per week 30 minuten matig intensief bewegen. Het stelt niet veel voor, zeker niet vergeleken met de inspanningen die mensen een halve eeuw geleden nog leverden in het dagelijks bestaan. Wie niet te ver weg woont, pakt de fiets naar het werk en heeft er zo een half uur per dag opzitten. Naast de hiervoor genoemde norm bestaat ook de combinorm: dagelijks een uur matig intensief bewegen of drie keer per week 20 minuten intensief bewegen. Wie wil afvallen zal minimaal aan de combinorm moeten voldoen en dat betekent doorgaans dat er gesport moet worden.

Het sociaal cultureel planbureau meldde in hun in 2010 verschenen nota “Sport: een leven lang”, dat gemiddeld 46% van de volwassenen in 2007 sportte. Geconstateerd wordt dat er een opgaande lijn is in de afgelopen jaren van het aantal volwassenen dat aan sport is gaan doen. Dat geldt ook voor werkende mensen, maar die voldoen dan helaas weer minder vaak aan de combinorm dan niet werkenden. Over de werkende bevolking meldt het CPB o.m. dat er een soort tweedeling lijkt te bestaan. “Aan de ene kant werknemers die werk hebben waarin ze veel bewegen en ook in hun vrije tijd relatief veel bewegen, waardoor ze voldoen aan de beweegnormen en weinig sedentair zijn. Aan de andere kant werknemers die bewegingsarm werk hebben, ook in hun vrije tijd relatief weinig bewegen en vaak een sedentair leven leiden. Deze tweede groep voldoet veel minder aan de beweegnormen en loopt daarmee gezondheidsrisico’s”.

Ik behoor zelf tot de groep mensen die dagelijks achter een bureau zit en weinig hoeft te bewegen. En ik heb de neiging om thuis opnieuw achter een bureau te kruipen. De computer is voor mij een verslavend apparaat. Ik werkte in de grafische industrie toen in 1975 daar de eerste pc’s werden binnengebracht die uiteindelijk al het loodzetten zouden laten verdwijnen. Ik begreep rap hoe zo’n ding werkte en was meteen verkocht. Ik vind het nu nog steeds leuk om diep in de programmatuur te duiken om deze zo efficiŽnt mogelijk in te zetten voor mijn werk en de organisatie waar ik voor werk. In mijn privťleven is de pc mijn speeltuin waar ik veel creativiteit in kwijt kan. Bewegend en stilstaand beeld bewerken, geluid editen, tekenen, een website maken zijn allemaal bezigheden waar ik plezier aan beleef. En dan heb ik het nog niet over het in gebruik nemen van hulpprogramma’s die handig zijn voor de pc zelf en die natuurlijk wel even onderzocht moeten worden. Daarbij vergeleken is de sportschool knap saai. Toch?

Dat deze levensstijl niet zonder gevaren is, bleek toen ik zo’n tien jaar geleden voor het eerst een website maakte. Weken zat ik na een dag werken, ’s avonds en in het weekend thuis te modderen om die eerste boreling aan websites af te leveren. Ik lette niet op wat ik at en in korte tijd vlogen de kilo’s eraan. Daarbij kreeg ik pijn in mijn been, een spierontsteking dacht ik. Drie weken lang werkte ik zo door, tot de pijn niet meer te harden was en ik hinkelend naar de huisarts moest. Aan het been was niets te zien, maar de huisarts vertrouwde het niet. “Heb je nog andere klachten”? vroeg hij. “Nou, iets wat hier niets mee te maken heeft”, antwoordde ik. “Ik ben raar benauwd af en toe. Sta soms ineens naar adem te snakken. Ik heb geen conditie op het moment, maar ook als ik stilzit kan ik plotseling het gevoel hebben dat mijn ademhaling stokt.” Mijn huisarts stuurde me meteen door naar het
Trombosebeen
ziekenhuis waar ik in een rolstoel werd gezet en naar een ruimte werd gereden waar een echo werd gemaakt. Diep veneuze trombose was de diagnose, een gevaarlijk bloedstolsel waarvan stukjes losschoten en in mijn longen bleven steken. Ik weet niets van ziekten die niet in mijn omgeving voorkomen, dus ik vroeg hoe snel het eruit gespoeld kon worden, want ik moest naar mijn werk. Het duurde even voor ik begreep wat trombose was, hoeveel tijd het zou kosten om te herstellen en hoezeer ik aan deze situatie zelf had bijgedragen met mijn langdurig zittende bestaan waarin ik ook nog eens alles at waar ik zin in had. Van de schrik ging ik, nadat het stolsel verdwenen was, als een gek op dieet en sporten. Dat hielp een tijdje, maar na verloop van tijd verdween het probleem wat naar de achtergrond en raakte ook de sportschool weer uit zicht. De hapjes en drankjes bleken helaas weer erg dichtbij.

 

Mogelijkheden om te bewegen

Het CPB nogmaals: “…Weliswaar krijgt het begrip vitaliteit veel aandacht, maar de aandacht is over het algemeen gericht op de individuele werknemer, terwijl de werksituatie zelf vrijwel buiten beschouwing blijft. Een evenwichtiger benadering met aandacht voor zowel de werkbelasting als de individuele inzetbaarheid is geboden. Daar liggen nog veel kansen. Bedrijven bieden nu vooral bewegingsmogelijkheden buiten het bedrijf en buiten werktijd, maar misschien is het lucratiever om het werk zelf beweeglijker te maken en sedentaire taken af te wisselen met meer beweeglijke taken. Er moeten interventiemethodieken komen om bewegingsarme werktaken beweeglijker te maken. Gezien het belang van werkgevers om arbeidsrisico's te minimaliseren, kunnen werkgevers hierin het voortouw nemen. Ook nieuwe ontwikkelingen in vorm, inhoud en organisatie van het werk, zoals ‘het nieuwe werken’, waarbij arbeidstijden en arbeidsomgeving veel flexibeler worden ingevuld en de grenzen tussen thuis en werk vervagen, zullen in de toekomst ongetwijfeld invloed krijgen op het werk als bron van lichaamsbeweging. Of deze invloed gunstig of ongunstig is, hangt af van de invulling van deze concepten. Wij pleiten voor expliciete opname van voldoende lichaamsbeweging en voldoende afwisseling in sedentaire taken in de conceptontwikkeling.”

Werk beweeglijker maken is een leuke gedachte om over te brainstormen. Simpel is het echter niet. Afwisseling in functies door beperking van beeldschermwerk bijvoorbeeld, is iets waar al jaren aandacht voor bestaat, maar de praktijk is erg weerbarstig. Het feit dat functies doorgaans taakbestanddelen bevatten die ongeveer op hetzelfde niveau liggen, maakt dat ingewikkeld. Veel denkwerk is moeilijk met doewerk te combineren. Een beleidsmedewerker maakt beleid achter een bureau en gaat niet ineens de post rondbrengen, om maar eens iets te noemen. Het zouden bovendien te dure medewerkers worden voor een werkgever als dat zou gebeuren. Ik zie hier dan ook niet snel iets in veranderen, maar ik hoor het graag als iemand daar concrete ideeŽn over heeft.

Stofzuigen
Het nieuwe werken, is echter wat anders. Als ik overdag eens thuis werk, gooi ik af en toe even een was in de machine, doe ik snel een boodschap om de hoek, stofzuig ik tussendoor etc. Snelle huishoudelijke klusjes als afwisseling van bureauwerk, voorzien daarmee in een gezondere werkomgeving. Als het nieuwe werken echt doorzet, kunnen mensen ook veel beter hun eigen tijd indelen. Afwisseling overdag door in de middag een uurtje te sporten en ’s avonds een uurtje door te werken kan dan normaal worden. Dat werkt een stuk beter dan 8 uur achter elkaar op een stoel te zitten om pas ’s avonds de deur uit te gaan om te bewegen. Zolang de afspraken omtrent output maar gerespecteerd worden zou zo’n gezondere dagindeling geen belemmering hoeven vormen voor werkgevers. Zeker bij risicogroepen valt daar veel winst mee te boeken. Dat het voor werkgevers van belang is om aandacht te besteden aan een gezond gewicht en beweging bij werknemers, valt o.a. te lezen in de brochure van VNO-NCW “Dik is duur”, waarin aangegeven wordt dat een werknemer met overgewicht jaarlijks gemiddeld 2,5 dag meer ziekteverzuim heeft dan een werknemer met een normaal gewicht. Een werknemer met obesitas heeft gemiddeld zelfs 11,7 extra verzuimdagen. Per jaar komt dat neer op 600 miljoen Euro aan kosten voor werkgevend Nederland. Werkgevers hebben mede daarom alle reden om het onderwerp op de agenda te zetten en te houden. Natuurlijk kan een werknemer niet gedwongen worden tot afvallen en bewegen, maar het bieden van een omgeving waarin ruim baan wordt gegeven aan een gezonde leefstijl kan een werknemer wel aanmoedigen iets te doen. En als het werkt, is het niet alleen goed voor werknemers zelf, maar ook voor de portemonnee van werkgevers.

 

Ouderen

Dan hebben we nog dat andere probleem om mensen in beweging te krijgen: hoe kan sporten aantrekkelijk worden gemaakt voor met name de groep ouderen die – gezien de plannen van het kabinet – in de toekomst pas met 67 jaar met pensioen mogen? Deze mensen hebben vaak geen zin in clubsporten en gaan eerder naar de sportschool voor fitness, als ze al iets gaan doen.

In het tijdschrift “Sportgericht” verscheen in 2007 een artikel waarin de vraag beantwoord werd wie er eigenlijk aan fitness doen en wat hun motieven zijn. Het blijkt dat rond 2004/2005 ca. 2 miljoen mensen fitness als sport beoefenden (tegenwoordig zijn dat er weinig meer). Daarvan was 63% vrouw en 37% man en de grootste groep qua leeftijd zijn mensen jonger dan 30 jaar. Van de 2 miljoen mensen is maar 10% tussen 55 en 65 jaar. Als belangrijkste redenen om te fitnessen werd gezondheid genoemd. Plezierbeleving stond op de derde plaats en werd in maar 27% van de gevallen opgevoerd als reden.

Fitness is ook voor mij de sport die ik beoefen als ik weer wat moet. Ik ben er een tijdje geleden met tegenzin weer mee gestart, hoewel ik het tegenwoordig iets meer waardeer dan vroeger toen je alleen maar dommig voor je uit kon staren, terwijl je op zo’n apparaat fietste of liep. Nu is er vaak televisie en internet gekoppeld aan de fitnesstoestellen en dat geeft in ieder geval een beetje afleiding. Veel mensen hebben op zich geen hekel aan wandelen of fietsen. Op een zomerse dag stappen velen, waaronder nogal wat ouderen, met veel plezier op de fiets om een urenlange tocht te maken. Mensen zijn graag buiten en als we voortdurend een zonnig klimaat zouden hebben, zou het vermoedelijk een stuk beter gesteld zijn met het aantal personen dat beweegt. Er zit helaas een flink verschil tussen fietsen en wandelen in de sportschool en fietsen en wandelen in de vrije natuur. Ik heb me vaak afgevraagd waarom die kloof tussen die twee niet wordt overbrugd. Daar lijkt nu een klein begin mee gemaakt te worden. Virtueel fietsen

Aan de nieuwe generatie trainingsfietsen is software verbonden en een scherm, waarop een wisselend parcours gevolgd kan worden. Het stuur biedt de mogelijkheid om bochten te maken op de weg die je voor je ziet. Je kan een mate van windkracht instellen en andere weerstand. Bovendien zijn er video games beschikbaar, waarbij je een achtervolging kan inzetten. Ik heb de fiets in werkelijkheid nog niet gezien laat staan gebruikt, maar een sportleraar gaf in een forum op internet aan dat de fietsen erg populair zijn bij zowel ervaren fietsers als mensen die af en toe even aan fitness doen. Mensen blijven langer op de fiets zitten en werken harder dan op andere typen cardiotrainers. Ook de gebruikers zelf geven aan dat het veel leuker is om dit te doen dan op zo’n gewoon cardioapparaat. Dat is goed nieuws voor mensen zoals ik, die zich ernstig vervelen in een sportschool. Maar het is - zoals gezegd - nog maar een beginnetje.

Het zou prettig zijn als de markt eens wat 3D-opnamen zou maken van gewone fietspaden die gekoppeld kunnen worden aan zo’n fiets. Nog leuker wordt het als een scherm aan de fiets wordt verbonden dat in een halve cirkel om de fiets heen valt, zodat je het gevoel hebt dat je echt buiten bent. Beetje geluid erbij van vogeltjes en wind door de bomen en klaar ben je. Hetzelfde zou gedaan kunnen worden met wandelpaden, zodat je op de loopband flink kan doorstappen of rennen. Ook een roeitrainer lijkt me wel wat meer mogelijkheden te kunnen bieden dan dat droge trekken aan een touw met een klok voor je neus. Met verbeterde cardiotrainers zullen vermoedelijk veel meer mensen, waaronder ouderen, met plezier naar de sportschool gaan vooral als de keuze aan programma’s uitgebreid is.

De huidige activiteiten voor ouderen binnen sportverenigingen lijken zich verder vooral te richten op gepensioneerden. Vaak bestaan bij een sportschool of zwembad gedurende de week wel enkele lesuren die speciaal bedoeld zijn voor mensen vanaf 50 of 55 jaar. De tijden waarop deze lessen zijn ingepland liggen vrijwel altijd overdag of heel vroeg in de avond. Daar vang je de oudere werknemer dus niet mee, want die werkt gewoon overdag. Veel oudere werknemers behoren tot de risicogroepen. Ze zitten te veel, ze zijn vaker dan dertig- en veertigjarigen te zwaar en hun kans op ernstige ziekten is daardoor groter. Het is buitengewoon vreemd dat, gegeven het kabinetsbeleid, niet wordt ingespeeld op de behoeften van deze mensen. Het is te hopen dat er binnen niet al te lange tijd wat partijen ontdekken dat het ontwikkelen van programma’s voor oudere werknemers maatschappelijk gezien kostenbesparend kan werken en vermoedelijk ook wat gelukkiger werknemers oplevert. Tot er meer aandacht voor hen komt, zit er weinig anders op voor deze mensen dan af en toe in de avonduren in de sportschool verveeld te roeien met de riemen van de bestaande roeiapparaten.
 

VOLGENDE PAGINA