Mailkat
Laos

Ik slaap onrustig die nacht en weet 's ochtends nog steeds niet wat ik moet doen. Als ik Sousath weer zie, merk ik dat ook hij aarzelt over mijn deelname aan de tocht, waardoor mìjn twijfels op slag worden weggenomen. Hij brengt Marc naar het vliegveld waar ook de directeur klaar staat. "Zit ze in het vliegtuig morgen", informeert deze. "Ja", antwoordt Sousath, "in welk hotel zit ze eigenlijk in Luang Prabang?" "Het Pussyhotel" zegt de eerste. Als hij terug is, kijk ik hem gespannen aan. Hij ziet de vraag op mijn gezicht en legt z'n hoofd op tafel. Als hij overeind komt zegt hij: "Dus je wilt mee". "Ja", antwoord ik. "Ik maak het in orde we vertrekken vanmiddag", zegt hij en loopt weg.

Het wachten op Sousath aan het begin van de middag duurt tergend lang. "Ik moest benzine halen buiten Phonsavan", roept hij als hij eindelijk arriveert. "De Amerikanen hebben de hele voorraad van het dorp opgemaakt". Met een volle tank en een gevulde jerrycan in de kofferbak vertrekken we opgelucht aan het begin van de middag. Als ik omkijk om een laatste blik op Phonsavan te werpen zie ik alleen een wolk van rode stof die de oude Lada achter zich optrekt. Een paar uur rijden we zonder problemen. We passeren een checkpoint waar een slaperige ambtenaar geen zin heeft papieren te controleren. Als we de bergen in rijden, weten we dat we vermoedelijk urenlang vrijwel niemand tegen zullen komen. De weg die we gaan is door de Vietnamezen aangelegd op het oude pad dat vroeger een deel van het Ho Chi Minh trail vormde. De route gaat niet rechtstreeks naar Luang Prabang, maar via Hua Phan, de provincie die lang voor buitenlanders gesloten is geweest. Hier ligt de bakermat van de communistische partij van Laos die in een geheime vergadering in 1955 werd opgericht en die synoniem werd voor de Pathet Lao gedurende de oorlog. Lange tijd was dit ook de thuishaven van Sousath. "Ik was in 1970 door m'n vader die een hoge positie in de Pathet Lao had, naar China gestuurd om te studeren", vertelt hij, "maar in Nanning waar ik zat kreeg ik heimwee en in 1972 keerde ik terug naar Laos waar ik tot na het eind van de oorlog in een grot vlak bij Sam Neua heb gewoond. Overdag zaten we binnen en hielden ons schuil voor de bombarderende vliegtuigen. 's Nachts werkten we om te zorgen dat op een of ander manier eten was voor iedereen. Ik heb daar nog zoveel vrienden en altijd als ik kom, word ik als familie ontvangen." Zijn stem is zacht als zijn gedachten naar de plaatsen en de mensen voeren waar hij mee verbonden is. Een berg oprijdend, waar de auto hevig tegen sputtert, probeer ik me een leven voor te stellen met de spanning van continu dodelijk gevaar, waarin dag en nacht verwisseld zijn en waar de voedselvoorziening van de velen die in grotten leefden afhing van anderen die het smalle pad kenden dat overdekt was door de omgevende wildernis. De auto staat plotseling stil. Doppen en schroeven worden losgedraaid onder de motorkap, er wordt gestart en gestopt. Vuile benzine die de leidingen verstopt, is de conclusie uiteindelijk. Sousath rijgt uiterst behendig een aantal slangen aan elkaar en legt een verbinding van de motor naar de jerrycan met benzine die hij naast zich neerzet in de auto. Ik ben verbaasd over zijn kunde, maar hij lacht dat iedereen in Laos als onderdeel van het rijexamen een auto moet kunnen repareren. "Als je op een weg als deze stil komt te staan, en Laos kent weinig andere wegen, moet je problemen kunnen oplossen", zegt hij tevreden met het resultaat. 
Sousath klein

Sousath, bezig een slang aan te leggen  naar de jerrycan

We passeren een enkel dorp op onze route waar mensen verbaasd opkijken en wij uitwijken voor het vee dat zich overal vrij beweegt. In elk dorp lopen mannen met een geweer op de schouder "vanwege de overvallen", zegt Sousath. "Het gebeurde vroeger geregeld dat de ene bevolkingsgroep de andere aanviel en dat heeft nogal wat mensenlevens gekost. De politie en het leger zijn te ver weg om bescherming te bieden. Daarom heeft de overheid de mannen in de dorpen wapens gegeven, zodat ze zich kunnen verdedigen."

Als de avond is gevallen, rijden we nog een uur door het donker en trotseren we de mist die over de weg is neergedaald.  Onze bestemming is Ban Nam Noun, een klein dorp aan de gelijknamige rivier. Nadat Sousath zijn auto heeft neergezet wordt hij begroet door de eigenaar van het  gasthuis.
Dorponderweg klein

Ban Nam Noun

Eenmaal per week stopt hier een lokale bus, waarvan de passagiers op deze plaats eten en overnachten. Ons bezoek is echter onverwacht waardoor de kip nog uitgezocht en geslacht moet worden voor ons avondeten. Aan de enige tafel in het huis drinken we lào-láo, een sterke Laotiaanse likeur die van rijst gestookt wordt. Aan de muur hangt een westerse poster van een stel in omhelzing. Chinees bier prijkt op de planken in de kast. Het gasthuis heeft als enige in het dorp een kleine eigen generator waardoor beperkt elektriciteit wordt gegeven. Om negen uur is de stroomvoorziening echter afgelopen en wordt overgeschakeld op petroleumlampen. Het is laat als ik die avond in de kleine kamer waar ik slaap zorgvuldig m'n muskietennet sluit. Buiten hoor ik de rivier in een eindeloos ritme over zand en stenen golven. Voor m'n deur schuifelt Sousath naar zijn bed en door de kieren van mijn uit riet opgetrokken ruimte dringt de gebroken lichtstraal van zijn zaklantaarn binnen. In m'n droom volg ik het lichtspoor naar de vreemde verten van zijn verleden.

De wasbeurt wordt 's ochtends beperkt gehouden door het ontbreken van stromend
Hmongman klein

Hmongman uit het dorp Pun Phouk

water en adequate kleding om de rivier het werk te laten doen. We slenteren wat door het dorp waar een transistorradio de Engelse versie van het ritme van Rob de Nijs' regen laat horen. Hanen kukelen er in vol orkest doorheen. Twee honden slapen onder een lege marktstal. Sousath praat met een groep soldaten die uit de richting komt waar wij heen gaan. Ze weten welk deel van de weg mogelijk gevaar oplevert en waarschuwen stevig door te rijden en voor niemand te stoppen. De gaande weg is volledig verlaten en was tot een paar jaar geleden zeer onveilig door bandieten waarbij het voorkwam dat een hele bus mensen werd uitgemoord. Nu patrouilleren soldaten in de omgeving, maar het terrein is te groot om overal te zijn. Sousath legt zekerheidshalve het pistool dat hij altijd bij zich draagt, tussen ons in en we vertrekken; de jerrycan is tot de nok toe gevuld. Het weer is wisselend in de bergen. Sommige dalen zijn gevuld met een zee van wolken die het landschap een serene schoonheid geeft. Op een enkele bergtop staat een soldaat met een geweer in de hand die vanuit de hoogte de weg afspeurt. Ik vind het een spannend en mooi gezicht. We moeten een lang stuk steil omhoog waardoor de auto tot kruipsnelheid terug valt. Op het hoogste punt aangekomen weten we dat we het belangrijkste risico achter ons hebben en ik moet onwillekeurig giechelen. De regen plenst naar beneden als we het dorp Pac Xeng bereiken waar we - omdat hier nergens eetgelegenheden zijn - hadden willen picknicken. Sousath besluit een bewoner te vragen van haar huis gebruik te mogen maken. De vrouw heet ons welkom en we schuiven met ons eten aan haar tafel. Voor we het weten staat een verzamelde menigte in het huis, die vanaf geringe afstand toekijkt hoe we vis uit blik, kleefrijst en ham nuttigen. Het blijft die middag met tussenpozen regenen en als we uren later bij het
Hmongkindjes klein

Kinderen in Muang Ngoi

Hmong dorp Muang Ngoi aanlanden, zit iedereen binnen. De Hmong, opiumtelers bij uitstek en geduchte vechtersbazen die ook beschuldigd worden van de meeste overvallen in dit deel van het land, dragen in dit gebied nog hun traditionele kleding waarmee ze zich ook binnen de eigen cultuur weer onderscheiden in subculturen. Onze komst is niet onopgemerkt gebleven en we worden snel binnengehaald in een huis waar een zacht vuur in het midden van de kamer brandt. Een vrouw zit zich met ontbloot bovenlijf te warmen en voert een geanimeerd gesprek met andere dorpsbewoners. Mensen stromen toe en het is door hun bijzondere kleding, een van de kleurrijkste gezichten die ik heb aangetroffen in Laos.

Terwijl ik de vrouwen en kinderen fotografeer, stroopt - onder grote hilariteit - een van de mannen z'n broekspijpen hoog op om m'n aandacht te vangen. Hij wil ook op de foto en ik maak er een van zijn breed lachende gezicht waarin twee gouden voortanden naar de camera blinken. Ik beloof de foto's via Sousath op te sturen en na korte tijd vervolgen we onze rit voor de overnachting in Nam Bac, waar we weer in rieten kamertjes huizen. De avond is vol vrolijkheid, lào-láo en praat over culturele verschillen: over wat handgebaren uitdrukken en over familieleven en vrienden, over wat mag en hoort en wat niet.

In de ochtend wachten we lang op bericht van het bootcomité. Onze reis voert ons nu verder over het water en de boot die we willen huren is de beste boot voor de rivier waarin door de lage waterstand rotsen een risico vormen. Het bootcomité beslist over aanvragen omdat iedere bootbezitter aan de beurt moet komen. Maar we zien geen heil in een van de speedbootjes waarin we een helm zullen moeten dragen en waarvan er een dag eerder nog drie op de rotsen zijn gelopen. Als het positief bericht eindelijk afkomt blijkt er de voorwaarde aan verbonden dat het bootcomité zelf mee kan i.v.m. een bijeenkomst in Luang Prabang. De boot is daar ruim genoeg voor. Het gasthuis ligt hoog en de waterstand is laag. We moeten een flink stuk naar beneden over de rode klei die door de regen spekglad is geworden. We glibberen met de hulp van mannen die dit vaker doen en onder luid gelach van toeschouwers naar de loopplank. Dan: een omhelzing, een kus, een belofte te schrijven waarna Sousath langzaam uit mijn zicht verdwijnt als de boot z'n koers zet. Na onderweg een bezoek te hebben gebracht aan de grotten van Pak Ou die volgepakt staan met Buddhabeeldjes in allerlei soorten en maten en het dorp Xang Hai waar de lào-láo wordt gestookt, komen we na 5 uur aan in Luang Prabang.

Zonder de benodigde vouchers van het reisbureau krijg ik na enige uitleg toch een kamer in het Pussyhotel. De plaatselijke gids van de organisatie wordt gewaarschuwd en hij neemt de verantwoordelijkheid voor de betaling van m'n kamer, hetgeen later nog zal leiden tot ergernis bij de directeur. Ik verzoek hem bij de immigratiepolitie stempels te halen voor mijn toegang tot Luang Prabang. Ze blijken moeiteloos afgegeven te worden en ik steek het papier weer bij me voor de controle die ik nog zal krijgen als ik Luang Prabang verlaat.

Luang Prabang is een heilige plaats en heeft prachtige wats. Als ik in Wat Mai toestemming vraag binnen te mogen fotograferen krijg ik van Ounkham
Monikken klein

Monikken in Luang Prabang

, een van de monniken die hier woont, een volledige rondleiding die in zijn privéverblijf eindigt. M'n verbazing is groot. Tot nu toe was de ontmoeting met monniken in Laos van hun kant uiterst terughoudend en volgens de richtlijnen van het Theravada-buddhisme zonder enig oog- of fysiek contact, terwijl ook de gesprekken via de mannelijke aanwezigen werden gevoerd. Ik word uitgenodigd voor de thee en voor het bijwonen van de Engelse les die hij in de wat geeft aan zowel monniken als plaatselijke bewoners. In Laos, maar ook in de omringende landen, wordt overal hard gewerkt om het Engels machtig te worden. "Engels is de taal die we moeten leren spreken, als we in de toekomst internationaal mee willen tellen", zegt Ounkham. "Op de scholen wordt het Frans dat tientallen jaren geleerd is als uitvloeisel van de koloniale tijd nu ook steeds meer vervangen door Engels." Als ik in de klas aan de verschillende leerlingen vraag waarom ze Engels willen leren is het antwoord van de meesten dat een gids willen worden voor toeristen. Dat er op dit moment nog sterke beperkingen zijn voor individuele toeristen in Laos is iets waar weinig bij stil staan, vooral ook omdat het systeem van permits om naar een andere provincie in Laos te mogen trekken ook voor de bevolking van het land zelf geldt en op het oog geaccepteerd lijkt.

Met m'n eigen gids Chantavong trek ik dagen later de bergen in op zoek naar Pun
Chantavong klein

Chantavong, op de weg naar Pun Phouk

Phouk, een Hmong dorp dat ver van de bewoonde wereld ligt. De tocht is een stevige klim over rotsen en glibberige rode klei, afgewisseld met een trek door dalen waar de jungle vrij spel heeft en de weg nog gebaand moet worden. Na uren lopen met vallen, opstaan en soms zittend naar beneden glijden op de natte bladeren, vraag ik waarom de mensen zo ongelooflijk ver van een weg af gaan wonen. "Omdat in het dal van Pun Phouk de opium het beste groeit", is het onmiddellijke antwoord van Chantavong. De vanzelfsprekende gastvrijheid van de mensen in dit land verbaast me ook hier weer. We zijn amper binnen of er staat een kom thee voor ons en binnen een paar minuten worden kleefrijst, wilde bospaddestoelen en stukjes kip aangevoerd om de honger te stillen. Zoals op alle plaatsen waar zelden buitenlanders komen, willen mensen weten waar ik vandaan kom, wat van Laos vind, of ik getrouwd ben, of ik kinderen heb, wat voor werk ik doe. Dat ik als vrouw alleen rondreis is een ongekend fenomeen voor deze mensen, die zelf vrijwel nooit verder gaan dan Luang Prabang. Voor een deel van de terugreis krijgen we een gids mee van het dorp die ons een route wijst die nog onbegaanbaarder is dan de heenweg, maar die wel schaduwrijker is en uiteindelijk een uur lopen scheelt. Als ik later in de auto voorzichtig op het - wegens verregaande vervuiling - neergelegde plastic ben gaan zitten, inspecteer ik de schrammen en kleerscheuren die de tocht heeft opgeleverd en voel me tevreden dat het hierbij is gebleven. Morgen zal ik terugkeren naar Vientiane voor m'n doorreis naar het zuiden van Laos. Ik heb er moeite mee weg te gaan uit deze ruige streek. Het liefst zou ik doorreizen naar de Zuidchinese grens, naar de plaatsen waar door de bergen en het gebrek aan infrastructuur de mensen nog weinig invloeden van buiten hebben gehad. Die weg ligt echter op dit moment niet voor me open en met een licht gevoel van spijt, stap ik een dag later in het vliegtuig.

KLIK HIER voor de volgende pagina

of

GA TERUG naar de vorige pagina